Wie moet opzet bewijzen in een verzekeringsgeschil?

Na een brand stelt de verzekeraar vast dat de verzekerde financiële moeilijkheden had. Er wordt geen technische oorzaak gevonden en bepaalde verklaringen van de verzekerde blijken niet volledig met elkaar overeen te stemmen.

Volstaat dat om de verzekeringsdekking wegens opzet te weigeren?

Niet noodzakelijk.

De verzekeraar die zich op een opzettelijk veroorzaakt schadegeval beroept, moet dat opzet bewijzen. Hij moet niet alleen aantonen dat de verzekerde een bepaalde handeling bewust heeft gesteld. Hij moet ook bewijzen dat de verzekerde vrijwillig en bewust schade wilde veroorzaken.

Een vermoeden, een mogelijk motief of een bijzonder verdachte samenloop van omstandigheden kan aan de bewijsvoering bijdragen. Geen van die elementen volstaat echter automatisch als bewijs van opzet.

Kort samengevat

  • De verzekeraar die dekking weigert wegens opzet, draagt de bewijslast.
  • Bij twijfel over het opzettelijke karakter draagt de verzekeraar het bewijsrisico.
  • De verzekeraar moet zowel het daderschap als de wil om schade te veroorzaken aantonen.
  • Opzet kan met alle toegelaten bewijsmiddelen worden bewezen.
  • Een mogelijk motief is een aanwijzing, maar geen bewijs dat de verzekerde het schadegeval heeft veroorzaakt.
  • Een strafrechtelijke veroordeling is niet steeds noodzakelijk, maar de burgerlijke rechter moet het gezag van een definitieve strafrechtelijke beslissing respecteren.

Wie draagt de bewijslast van opzet?

De verzekeraar die beweert dat hij wegens opzet geen dekking moet verlenen, draagt in beginsel de bewijslast van die bewering.

Dat sluit aan bij de algemene bewijsregel: wie zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, moet de feiten of rechtshandelingen bewijzen die daaraan ten grondslag liggen.

De verzekeraar vraagt om bevrijd te worden van zijn dekkingsverplichting omdat de verzekerde het schadegeval opzettelijk zou hebben veroorzaakt. Hij moet bijgevolg aantonen dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 62, eerste lid Wet Verzekeringen vervuld zijn.

Dat betekent ook dat de verzekeraar het bewijsrisico draagt. Wanneer de rechter na onderzoek van alle bewijselementen blijft twijfelen of de verzekerde werkelijk schade wilde veroorzaken, speelt die twijfel in beginsel in het nadeel van de verzekeraar.

Voor de vraag wat precies onder verzekeringsrechtelijk opzet wordt verstaan, verwijzen wij naar onze eerdere bijdrage: Wanneer is een schadegeval opzettelijk veroorzaakt?

Wat moet de verzekeraar concreet bewijzen?

Een dekkingsweigering wegens opzet veronderstelt meer dan het bewijs van een bewuste of gevaarlijke handeling.

De verzekeraar moet in de praktijk minstens drie elementen aantonen.

1. De verzekerde heeft de schadeverwekkende handeling gesteld

De verzekeraar moet eerst aantonen dat de verzekerde zelf betrokken was bij het ontstaan van het schadegeval.

Bij een opzettelijke brandstichting moet bijvoorbeeld worden bewezen dat de verzekerde de brand zelf heeft gesticht, de opdracht daartoe heeft gegeven of op een andere juridisch relevante wijze als dader, mededader of medeplichtige bij de brandstichting betrokken was.

Het enkele feit dat de verzekerde voordeel kon halen uit het schadegeval, volstaat niet om zijn daderschap te bewijzen.

2. De verzekerde wilde schade veroorzaken

Vervolgens moet worden aangetoond dat de verzekerde niet alleen bewust handelde, maar door zijn handelen of nalaten ook vrijwillig en bewust schade wilde veroorzaken.

Het bewijs dat de verzekerde een gevaarlijke handeling bewust heeft gesteld, is dus niet noodzakelijk voldoende.

Wie bewust door een rood licht rijdt, een veiligheidsvoorschrift negeert of onder invloed een voertuig bestuurt, stelt mogelijk een bijzonder zware of roekeloze gedraging. Daaruit volgt echter niet automatisch dat die persoon ook een ongeval of andere schade wilde veroorzaken.

De wil om schade te veroorzaken blijft het essentiële onderscheid tussen opzet en grove schuld.

3. Het opzet kan aan de betrokken verzekerde worden toegerekend

De verzekeraar moet ten slotte aantonen dat de opzettelijke gedraging persoonlijk aan de verzekerde kan worden toegerekend tegen wie hij de dekking weigert.

Dat is vooral belangrijk wanneer verschillende personen door dezelfde verzekeringsovereenkomst zijn gedekt of wanneer een rechtspersoon aansprakelijk wordt gesteld voor de handeling van een bestuurder of werknemer.

Het bewijs dat één verzekerde opzettelijk handelde, betekent niet automatisch dat het opzet ook aan alle andere verzekerden kan worden tegengeworpen.

Het persoonlijke karakter van opzet wordt in een afzonderlijke bijdrage verder besproken.

Welke bewijsstandaard geldt?

Het bewijs van opzet moet worden geleverd met een redelijke mate van zekerheid.

Absolute zekerheid is niet vereist. De verzekeraar moet evenmin een bewijs leveren dat iedere denkbare alternatieve verklaring theoretisch uitsluit.

De rechter moet op basis van het geheel van de voorgelegde bewijselementen evenwel met voldoende zekerheid kunnen besluiten dat de verzekerde het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

Een loutere mogelijkheid of waarschijnlijkheid volstaat niet.

De vaststelling dat opzet de meest verdachte of voor de hand liggende verklaring lijkt, betekent nog niet noodzakelijk dat het vereiste bewijs is geleverd. Wanneer een andere verklaring redelijk aannemelijk blijft en niet door de objectieve gegevens wordt weerlegd, kan twijfel blijven bestaan.

Met welke bewijsmiddelen kan opzet worden aangetoond?

Opzet is een feitelijk gegeven en kan in beginsel met alle toegelaten bewijsmiddelen worden aangetoond.

De verzekeraar kan zich onder meer beroepen op:

  • verklaringen van de verzekerde;
  • getuigenverklaringen;
  • vaststellingen van politie of brandweer;
  • een technisch deskundigenonderzoek;
  • camerabeelden;
  • telefonische of elektronische communicatie;
  • berichten via e-mail, sms of sociale media;
  • gegevens uit een strafdossier;
  • feitelijke vermoedens;
  • de houding van de verzekerde vóór en na het schadegeval.

De rechter beoordeelt deze elementen niet noodzakelijk afzonderlijk. Verschillende aanwijzingen die elk op zichzelf onvoldoende zijn, kunnen samen wel een overtuigend geheel vormen.

Omgekeerd maakt een groot aantal verdachte omstandigheden het bewijs niet automatisch sluitend. Het blijft noodzakelijk dat de aanwijzingen daadwerkelijk betrekking hebben op het daderschap en de wil om schade te veroorzaken.

Kan opzet door vermoedens worden bewezen?

Ja. Omdat de innerlijke wil van de verzekerde zelden rechtstreeks kan worden waargenomen, zal het bewijs van opzet vaak gedeeltelijk of volledig uit feitelijke vermoedens bestaan.

De rechter kan de wil om schade te veroorzaken afleiden uit gekende en bewezen feiten.

Bij een branddossier kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met:

  • de aanwezigheid van meerdere afzonderlijke brandhaarden;
  • het gebruik van brandversnellende producten;
  • de afwezigheid van een aannemelijke accidentele brandoorzaak;
  • voorbereidende handelingen kort vóór de brand;
  • camerabeelden of locatiegegevens;
  • tegenstrijdige verklaringen van de verzekerde;
  • communicatie waaruit een voornemen tot brandstichting blijkt.

Deze elementen moeten voldoende gewicht en onderlinge samenhang hebben om de rechter toe te laten met een redelijke mate van zekerheid tot opzet te besluiten.

Een vermoeden mag bovendien niet worden opgebouwd op basis van een ander feit dat zelf niet bewezen is. De verzekeraar moet dus vertrekken van concrete en vaststaande gegevens.

Volstaat een mogelijk motief?

Nee.

Een motief kan verklaren waarom iemand het schadegeval zou hebben veroorzaakt, maar bewijst niet dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

Mogelijke motieven zijn bijvoorbeeld:

  • financiële moeilijkheden;
  • een hoge verzekerde waarde;
  • een conflict met een benadeelde;
  • een dreigende uitzetting of gedwongen verkoop;
  • de wens om van een verlieslatende onderneming of een beschadigd goed af te raken;
  • persoonlijke of relationele problemen.

Dergelijke omstandigheden kunnen relevant zijn als onderdeel van een ruimere bewijsvoering. Zij leveren op zichzelf echter geen bewijs van daderschap of opzet.

Wie financiële moeilijkheden heeft, steekt daarom nog niet zijn woning of onderneming in brand. Wie een conflict heeft met een andere persoon, heeft daarom nog niet bewezen opzettelijk schade aan die persoon veroorzaakt.

Het motief moet steeds worden verbonden met andere objectieve bewijselementen.

Wat is de betekenis van tegenstrijdige verklaringen?

Tegenstrijdige of gewijzigde verklaringen kunnen de geloofwaardigheid van de verzekerde aantasten.

Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de verzekerde eerst stelt dat hij niet aanwezig was, maar later erkent dat hij zich op het ogenblik van het schadegeval wel ter plaatse bevond. Hetzelfde geldt wanneer zijn verklaring over het ontstaan van de schade niet verenigbaar is met de technische vaststellingen.

Een leugenachtige, onvolledige of gewijzigde verklaring bewijst echter niet automatisch dat de verzekerde het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt.

De verzekerde kan ook om andere redenen een onjuiste verklaring afleggen. Hij kan proberen een andere fout te verbergen, bang zijn voor aansprakelijkheid of zich de gebeurtenissen onjuist herinneren.

De verklaringen moeten daarom steeds worden beoordeeld in samenhang met de objectieve vaststellingen.

Welke rol speelt het strafdossier?

Een strafdossier kan belangrijke bewijselementen bevatten, zoals processen-verbaal, verhoren, deskundigenverslagen, camerabeelden en telefoniegegevens.

Die gegevens kunnen ook in het verzekeringsgeschil worden gebruikt, voor zover de partijen de mogelijkheid krijgen om daarover tegenspraak te voeren.

Een strafrechtelijke veroordeling is niet in alle gevallen noodzakelijk om verzekeringsrechtelijk opzet vast te stellen. De burgerlijke rechter kan op basis van de hem voorgelegde bewijselementen zelf onderzoeken of de voorwaarden van artikel 62 Wet Verzekeringen vervuld zijn.

Hij moet daarbij wel rekening houden met het gezag van het strafrechtelijk gewijsde.

Wanneer een definitieve strafrechter een bepaald feit noodzakelijk en zeker heeft vastgesteld, kan de burgerlijke rechter daar niet zonder meer van afwijken. De precieze draagwijdte hangt af van wat de strafrechter daadwerkelijk en noodzakelijk heeft beslist.

Wat bij een sepot?

Een beslissing van het openbaar ministerie om een strafdossier te seponeren is geen rechterlijke uitspraak.

Een sepot betekent dus niet automatisch dat in een burgerlijk of verzekeringsrechtelijk geschil geen opzet meer kan worden vastgesteld.

Het kan bijvoorbeeld zijn dat de strafzaak werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijs voor een strafrechtelijke vervolging, opportuniteitsredenen of een andere praktische reden. De burgerlijke rechter kan de beschikbare bewijselementen nog steeds beoordelen volgens de burgerrechtelijke bewijsregels.

Moet de verzekeraar het resultaat van de strafprocedure afwachten?

Niet noodzakelijk.

De verzekeraar kan zijn dekkingsstandpunt in beginsel bepalen op basis van de informatie waarover hij beschikt. Hij moet daarbij wel voorzichtig te werk gaan.

Wanneer een strafonderzoek nog loopt en essentiële feiten niet opgehelderd zijn, kan een definitieve dekkingsweigering voorbarig zijn. De verzekeraar moet vermijden dat hij op basis van onvolledige of eenzijdige gegevens tot opzet besluit.

Afhankelijk van de omstandigheden kan het aangewezen zijn om bijkomende onderzoeksgegevens af te wachten, een eigen technisch deskundigenonderzoek te voeren of een voorbehoud te formuleren.

Praktische checklist voor de beoordeling van opzet

Vooraleer dekking wegens opzet te weigeren, moet de verzekeraar minstens de volgende vragen onderzoeken:

  1. Wie heeft het schadegeval veroorzaakt?
    Is de betrokken verzekerde als dader, mededader, medeplichtige of opdrachtgever geïdentificeerd?
  2. Welke concrete handeling werd gesteld?
    Is die handeling objectief en voldoende precies bewezen?
  3. Wilde de verzekerde schade veroorzaken?
    Of staat alleen vast dat hij bewust een gevaar of risico heeft gecreëerd?
  4. Welke schade wilde de verzekerde veroorzaken?
    Houdt die schade verband met de verwezenlijking van het verzekerde risico?
  5. Welke objectieve bewijselementen ondersteunen het opzet?
    Zijn er verklaringen, technische vaststellingen, beelden, communicatie of andere concrete gegevens?
  6. Zijn er redelijke alternatieve verklaringen?
    Worden die verklaringen door de beschikbare gegevens uitgesloten of blijven zij aannemelijk?
  7. Kan het opzet persoonlijk aan de betrokken verzekerde worden toegerekend?
    Of werd de opzettelijke handeling door een andere verzekerde, werknemer, bestuurder of derde gesteld?

Besluit

De verzekeraar die dekking weigert omdat het schadegeval opzettelijk werd veroorzaakt, draagt de bewijslast en het bewijsrisico.

Hij moet aantonen dat de verzekerde de schadeverwekkende handeling heeft gesteld, vrijwillig en bewust schade wilde veroorzaken en dat dit opzet persoonlijk aan de betrokken verzekerde kan worden toegerekend.

Opzet kan met alle toegelaten bewijsmiddelen worden aangetoond. Vermoedens, technische vaststellingen en gegevens uit een strafdossier kunnen daarbij een belangrijke rol spelen.

Een mogelijk motief, een bewust gevaarlijke gedraging of een tegenstrijdige verklaring volstaat op zichzelf echter niet. De bewijsvoering moet als geheel toelaten om met een redelijke mate van zekerheid tot opzet te besluiten.

Blijft er twijfel bestaan over de wil om schade te veroorzaken, dan draagt de verzekeraar daarvan in beginsel het bewijsrisico.

Veelgestelde vragen

Wie moet bewijzen dat een schadegeval opzettelijk werd veroorzaakt?

De verzekeraar die op grond van opzet dekking weigert, draagt in beginsel de bewijslast en het bewijsrisico.

Kan de verzekeraar opzet bewijzen met vermoedens?

Ja. De vermoedens moeten wel steunen op bewezen feiten en voldoende gewicht en samenhang hebben om met een redelijke mate van zekerheid tot opzet te besluiten.

Volstaan financiële moeilijkheden als bewijs van brandstichting?

Nee. Financiële moeilijkheden kunnen een mogelijk motief vormen, maar bewijzen niet dat de verzekerde de brand heeft gesticht of schade wilde veroorzaken.

Is een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk?

Nee. De burgerlijke rechter kan verzekeringsrechtelijk opzet ook op basis van andere bewijselementen vaststellen. Hij moet wel het gezag van een definitieve strafrechtelijke beslissing respecteren.

Betekent een sepot dat opzet niet meer kan worden bewezen?

Nee. Een sepot is geen rechterlijke uitspraak en verhindert niet dat de burgerlijke rechter de beschikbare bewijselementen zelfstandig beoordeelt.

Bronnen

Picture of Jeffrey Amankwah

Jeffrey Amankwah

Jeffrey Amankwah is advocaat aan de balie Limburg en focust op verzekeringsrecht, aansprakelijkheidsrecht en letselschade. Hij is vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven en publiceert en doceert regelmatig over actuele ontwikkelingen in het verzekerings- en aansprakelijkheidsrecht.

Meer over Jeffrey Amankwah